Inhoudsopgave

  • Industriele revolutie
  • Stoommachine
  • Agrarische revolutie
  • Demografische Revolutie
  • Transportrevolutie
  • Maatschappelijke revolutie
  • Modern Imperialisme
  • Voorgeschiedenis Modern Imperialisme
  • Modern imperialisme in de 19e eeuw
  • Kolonisatie
  • Gevolgen van Modern Imperialisme


Economische ontwikkelingen in de 19e eeuw.


Industriële revolutie

De industriële revolutie betekende voor de mensheid de grootste verandering sinds de komst van de landbouw. Eeuwenlang had de mens gewerkt met spierkracht, soms aangevuld met waterkracht en windkracht.  Handwerktuigen en trekdieren, zoals paarden en ossen, werden met de industriële revolutie vervangen door machines; eerst aangedreven door stoom en later door gas of elektriciteit.

Groot-Brittannië was het eerste land dat met de industriële revolutie te maken kreeg aan het eind van de 18e eeuw. België volgde aan het begin van de 19e eeuw als eerste land op het continent, wat later gevolgd door Frankrijk en Pruisen. In Amerika volgen al snel de noordoostelijke staten. Pas rond 1850 volgde de rest van Europa.


Stoommachine

De stoommachine stond in Groot-Brittannië aan het begin van deze ontwikkeling.  De stoommachine werd in het begin vooral gebruikt om de waterpompen van mijnen aan te drijven. Daardoor was het mogelijk deze mijnen een stuk verder onder het grondwaterpeil te exploiteren. Vanaf 1769 werd de stoommachine flink verbeterd door onder meer James Watt.

Door de bevolkingstoename en de koloniale expansie begon de vraag naar katoenen producten snel te stijgen. Omdat de spinners en wevers de vraag niet bij konden houden, was er dringend behoefte aan een weefgetouw dat door een machine werd aangedreven. Na 1780 was de stoommachine zover verbeterd dat deze ook in de fabrieken als aandrijving gebruikt kon worden. Er kon nu veel meer textiel worden geproduceerd. Dat was ook nodig, want het bevolkingsaantal nam snel toe. Al die mensen moesten kleding hebben. Dankzij de machines werd er sneller en goedkoper geproduceerd en bleven de loonkosten laag. De textielindustrie is een van de aanjagers van de industriële revolutie geweest.

Door de grote vraag naar stoommachines  kwam ook de machine-industrie tot bloei. En omdat stoommachines van ijzer waren en op steenkool werkten, versnelde ook de groei van de ijzerindustrie en de steenkoolproductie.


                                                                               textielfabriek

Agrarische revolutie

De Europese maatschappij was vanouds een landbouwmaatschappij. In bijna alle landen was landbouw de belangrijkste economische sector. Vanaf 1750 zou daar verandering in komen.

De opbrengst werd enorm vergroot door de toenemende toepassing van wetenschappelijke kennis in de landbouw en de invoering van nieuwe landbouwgereedschappen zoals de ploeg, de zeis en de zaaimachine. Men ging zaaizaden selecteren voor het gebruik op het land. Alleen de beste zaden werden gebruikt en zorgden voor een betere oogst. Een betere bemesting en vervanging van ossen door paarden als trekdieren zorgden voor een stijging van de opbrengst. In sommige gebieden werd het landbouwoppervlak vergroot door massale kap van bossen. Ook werden er nieuwe gewassen ingevoerd vanuit Midden en Zuid Amerika, zoals de aardappel en maïs.

Op het land was steeds minder werk en ook dat werk werd steeds meer met machines gedaan. Zo kwamen dus arbeiders vrij voor de industrie. Door betere landbouwmethodes konden de mensen beter worden gevoed en groeide de bevolking. De bevolkingsgroei vergrootte weer de vraag naar voedsel en kleding, wat de productie weer vergrootte. Zo greep alles in elkaar.             


Demografische revolutie

De bevolking van Europa steeg van 163 miljoen in 1740 tot 408 miljoen in 1900. Dankzij betere landbouw- en veeteeltmethoden en de teelt van nieuwe gewassen (maïs, aardappels) namen de opbrengsten sterk toe en kon de groeiende bevolking gevoed worden. Dankzij onder meer verbetering van de hygiëne en het ontstaan van de moderne geneeskunst  versnelde na 1800 de groei nog meer. Epidemieën kwamen met name dankzij de aanleg van drinkwaterleidingen en rioleringssystemen, na 1870 veel minder voor.

De demografische revolutie liep grotendeels parallel aan de industriële revolutie. Door de groei van de productie en het aantal fabrieken was er meer werk. De mensen trokken van het platteland naar de steden, die ook weer snel groter werden.


Transportrevolutie


In de 18e en 19e eeuw  werden de bestaande wegen verbreed en soms verhard en talloze nieuwe wegen aangelegd tussen de grote steden. Dat was nodig voor de aan- en afvoer van alle grondstoffen en producten voor de fabrieken. Ook werden er waar dat mogelijk was kanalen gegraven tussen de steden. Hierdoor werd het transport een stuk gemakkelijker en goedkoper. De uitvinding van de stoomtrein in 1824 maakte de aanvoer van grondstoffen voor de industrie en de afvoer van producten nog gemakkelijker, en hierdoor versnelde de industrialisatie nog meer.

De bouw van de spoorwegen bevorderden weer de machine-industrie en de steenkool- en ijzerwinning. Zo joegen vraag en aanbod elkaar aan. Voor het eerst in de geschiedenis bleef de economie vanzelf groeien.

De eerste spoorwegen werden vooral aangelegd voor het goederenvervoer. Al vrij snel kwamen ook de eerste rijtuigen voor het vervoer van personen. In Nederland reed op 20 september 1839 de eerste trein tussen Amsterdam en Haarlem.

In 1833 stak het eerste stoomschip vanuit Canada de Atlantische oceaan over. In 1885 maakt Karl Benz de eerste auto.

Filmpje over de stoommachine en de stoomtrein:

http://www.schooltv.nl/beeldbank/clip/20071107_indusrevu02

Maatschappelijk revolutie

De landbouw stedelijke samenleving maakt plaats voor de industriële samenleving. De stedelijke arbeidersklasse en burgerij groeide en de plattelandsbevolking nam snel af. Het grootste deel van de bevolking werkte in de industrie, de handel of de snel toenemende dienstverlening.

De arbeidersklasse leefde in slechte omstandigheden. Ze moesten erg hard werken voor lage lonen en leefden in grauwe volkswijken onder onhygiënische omstandigheden . De ongelijkheid die vroeger bestond tussen adel en burgerij was nu veranderd in ongelijkheid tussen burgers en arbeiders. De arbeiders hadden nog steeds niets te vertellen. De macht was in handen van een kleine bovenlaag.

De industrialisatie leidde ook tot hardere, zakelijke relaties. In de kleine traditionele bedrijfjes, werkte de baas mee en voelde zich verbonden met het personeel. In de grote onpersoonlijke fabrieken kon je vertrekken als je het niet goed deed of protesteerde tegen de omstandigheden, want zeker in het begin van de industriële revolutie waren er meer arbeiders dan werk. Omdat de lonen laag waren moest het hele gezin meewerken in de fabrieken. Vrouwen- en kinderarbeid was kenmerkend voor de 19e eeuw.

Men begon te twijfelen of het economisch liberalisme misschien toch te ver was doorgevoerd. Misschien moest de overheid sommige kwetsbare groepen toch helpen? De welgestelden bogen zich over deze sociale kwestie. In de tweede helft van de 19e eeuw vonden steeds meer mensen dat de overheid iets moest doen aan de slechte woon- en werkomstandigheden van de arbeiders, uit medeleven, maar ook door angst voor een opstand. Ook komen  er vakbonden en socialistische (arbeiders) partijen, die voor de belangen van de arbeiders opkwamen. Op het einde van de 19e eeuw kwamen er steeds meer sociale wetten die de kinderarbeid aan banden legden en de leef- en werkomstandigheden van de arbeiders verbeterden. De sociale partijen zorgden voor meer macht en invloed  van de onderklasse in de democratie. Zo verandert langzaam maar zeker de machtsstructuur.

Filmpje op de omstandigheden van de fabrieksarbeiders:

http://www.schooltv.nl/beeldbank/clip/20071107_indusrevu03


De industriële revolutie heeft veel goeds voortgebracht.

De techniek en wetenschap maakte een enorme sprong vooruit. Er zijn veel uitvindingen gedaan. Er ontstonden veel nieuwe producten die het leven makkelijker maakten. De manier van transport veranderde (stoomtrein, stoomboot, automobiel). De moderne gezondheidszorg kwam op gang, oorzaken van ziekten werden gevonden en vaccins  werden ontwikkeld. De hygiëne verbeterde. Er kwamen waterleidingen en rioolsystemen. Er kwamen nieuwe communicatiemiddelen (telegraaf, telefoon, morsecodes).

Een grote groep mensen  werd rijker en kon de nieuwe producten betalen.

De standensamenleving veranderde in een klassensamenleving. Je afkomst was niet meer zo vreselijk belangrijk. Voortaan bepaalde bezit en inkomen in wat voor klasse je terecht kwam. Je kon nu veel gemakkelijker van sociale laag veranderen als voorheen.

Door de massaproductie werden veel zaken, zoals bijvoorbeeld kleding, goedkoper. Maar deze ontwikkelingen hadden ook een keerzijde.

Zo was de milieuvervuiling enorm. Midden-Engeland, waar de industriële revolutie begon, noemde men nog tot ver in de 20e eeuw "Black Country". Er werd daar erg veel smerige rook uitgestoten door de talrijke steenkool verbruikende stoommachines. Smerig afvalwater werd rechtstreeks in de rivieren geloosd.

De leef- en werkomstandigheden van de arbeiders waren erg slecht. Ze werden uitgebuit en onderdrukt door de rijke burgers die het geld en dus de macht in handen hadden. Ze leefden in kleine huizen in grauwe  arbeiderswijken, in armoedige omstandigheden. De werkomstandigheden in de fabrieken waren erg slecht. De lucht was er vuil, het lawaai vaak oorverdovend en het werk gevaarlijk.



Modern Imperialisme

Imperialisme = het overheersen van andere volken en gebieden en/ of het vormen van een groot wereldrijk.

Voorgeschiedenis van Modern Imperialisme

In de 15e t/m 18e eeuw worden in de nieuwe gebieden die ontdekt zijn door de ontdekkingsreizigers, handelsposten opgericht en soms ook meer permanente verblijfplaatsen, nederzettingen. De veroverde gebieden werden kolonies genoemd. De nederzettingen waren meestal aan de kust. Men dreef handel met lokale handelaren, maar bemoeide zich weinig met het lokale bestuur.

Soms bracht men grotere gebieden onder Europees bestuur. De Portugezen en Spanjaarden doen dat vooral in Zuid- en Midden-Amerika en  Engeland in Noord-Amerika.

In de 18e eeuw raakt Engeland zijn eerste kolonie kwijt: de Verenigde Staten verklaren zich onafhankelijk, maar Engeland is dan al begonnen aan de verovering van nieuwe koloniale gebieden, zoals India en Australië.

In Zuid-Amerika valt het Spaans-Portugese imperium uiteen aan het begin van de 19de eeuw. Er ontstonden onafhankelijke staten als Argentinië, Brazilië en Bolivia.

Modern imperialisme in de 19e eeuw

Na 1870 veranderd de relatieve terughoudendheid radicaal en maakt West-Europa in een groot deel van de wereld de dienst uit. Het Brits Imperium omvatte een kwart van het landoppervlak op aarde.

Nu de industriële revolutie Europa in staat stelde om de hele wereld te veroveren, ontstond  er een wedloop tussen de Europese landen om zoveel mogelijk gebieden te veroveren. Groot-Brittannië, Frankrijk en andere Europese landen verdeelden bijna heel Afrika onder elkaar. In Indonesië breidde Nederland na 1870 zijn macht sterk uit.

In Azië bleven oude keizerrijken zoals China en Perzië bestaan, maar Europese landen kregen er wel veel meer invloed.  Japan bleef onafhankelijk. Frankrijk veroverde Vietnam, Laos en Cambodja. Groot-Brittannië had al eerder India veroverd.

 


Kolonisatie

- Door de enorme bevolkingsgroei in Europa waren er steeds meer mensen die een nieuw bestaan zochten in de overzeese gebieden, zoals Noord- en Zuid-Amerika, Australië en de Kaapkolonie. De Verenigde Staten maakten een enorme ontwikkeling door. Door massale emigratie vanuit Europa groeide het inwoneraantal van  5 miljoen in 1800 naar 76 miljoen in 1900.

- economische reden: Europese landen hadden, vond men, het recht om onderontwikkelde gebieden te veroveren en exploiteren. Ze konden ze goed gebruiken als afzetmarkt voor de nieuwe productenstroom die ontstaan was door de industrialisatie. Bovendien vonden ze in de nieuwe gebieden goedkope grondstoffen die weer nodig waren om producten te maken. Men vond dat men op die manier bijdroeg aan de welvaart van het gekoloniseerde land.

- Ideologische reden: men vond het belangrijk om de ‘Europese beschaving’ en het christendom in de koloniën te verspreiden. Veel Europeanen vonden hun eigen blanke ras superieur: nationalistisch imperialisme. Het voedde ook de nationale  trots van het thuisland. De verhalen over de ontdekkingen in de koloniën en de overwinningen die daar behaald werden,  werden in het thuisland met trots in de kranten vermeld.

- Politieke reden: kolonisatie wordt een machtsstrijd. Hoe meer koloniën men had, hoe meer macht en status. Kolonialisme werd een instrument van politieke propaganda.

- Industrialisatie: door de industriële revolutie was de machtsongelijkheid tussen Europa en de rest van de wereld toegenomen. Europeanen hadden betere wapens, snellere schepen en grotere economische macht. Door betere transportmogelijkheden en communicatiemiddelen werd de bereikbaarheid van de hele wereld veel groter.



Op een verkenningstocht in Congo. Stanley’s reizen 1886


Gevolgen van het imperialisme

De Europese inmenging heeft de traditionele economie, de politieke structuren en de cultuur ernstig aangetast. Traditionele economieën waren in de eerste plaats gericht op zelfvoorziening, productie voor de Europese markt betekende in veel gevallen uitputting van de grond wat vaak weer hongersnood tot gevolg had.

Het politieke gezag van de traditionele leiders werd aangetast door de komst van de Europeanen, zij konden de dorpsgemeenschappen niet beschermen tegen gedwongen arbeid en belastingen. Bovendien bleken veel leiders zich bij samenwerking met de Europeanen persoonlijk aanzienlijk te verrijken, wat weer  verzet tegen de traditionele leiders veroorzaakte.

Er werd vaak wreed met de inheemse bevolking omgegaan. Zeker in Afrika werd de inheemse bevolking gezien als ‘onbeschaafde wilden’.

Aan de andere kant bouwden de Europeanen ook veel op, infrastructuur, 'introductie van de moderne kapitalistische economie', dit waren vaak voorbeelden voor een kolonie. Bovendien zetten de Europeanen een over het algemeen redelijk functionerend bestuursapparaat op dat gedurende de kolonisatieperiode interne rust garandeerde.

Europeanen creëerden een nieuwe elite. Zij gaven de jonge plaatselijke intellectuelen een Europese opleiding, om er later mee samen te werken bij het besturen en het ontwikkelen van de koloniën. Ze introduceerden Europese ideeën aan deze nieuwe elite: liberalisme, socialisme en ook nationalisme.


Een Duitse kolonie in Kameroen.



Bronnen industriële revolutie

Wikipedia: industriële revolutie, agrarische revolutie, demografische revolutie, milieuvervuiling, stoomtrein, stoommachines, sociale kwestie

www.schooltv.nl : filmpjes industriële revolutie

Geschiedeniswerkplaats


Bronnen modern imperialisme

Wikipedia: kolonisatie, modern imperialisme, kolonie (staatkundig), imperialisme, Europese kolonisatie

www.dbnl.org

Geschiedeniswerkplaats.