Inhoudsopgave:

  • Inleiding
  • Geschiedenis
  • Vanaf 17e eeuw
  • Eind 18e en 19e eeuw
  • De Avant Garde
  • De salon en de academie
  • Geschiedenis van de Europese academies
    Academische opleiding
  • Muziek
    Frankrijk
    Duitsland
    Nederland
    Rusland
  • Ballet
    Vernieuwingen in het romantische en romantisch klassieke ballet
  • Het naakt in de Beeldende kunst en in de opleidingen

Opleidingen.


Inleiding – toneel- dans- kunstacademie en conservatoria in de 19e eeuw.

In de 19e eeuw zijn er voor de diverse kunstvormen nog steeds de traditionele kunstacademies, maar daarnaast zien we nu voor het eerst dat kunstenaars op een andere manier ‘het vak leren’. Binnen de beeldende kunst en de muziek zien we dat ‘gevestigde en gewaardeerde kunstenaars’ (niet de academisch werkende, maar vaak juist de Avant-Garde) gevraagd worden om les te geven. Verder ontstaat er voor het eerst een vorm van auto-didactiek. De kunstenaar die door eigen onderzoek tot ontplooiing komt. Hij onderzoekt niet alleen het werk van kunstenaars die hij bewondert, maar onderzoekt bv. ook de natuur – Hoe zijn die kleuren samengesteld, hoe kan ik dat licht imiteren. Goed kijken en steeds opnieuw proberen blijken ook goede leermeesters te zijn. Binnen de muziek zien we ook steeds meer dat er naast de gevestigde academies privéles gegeven wordt door gevestigde muzikanten.


Beeldende kunst - opdrachtgevers en opleidingen 

DE ACADEMIE- Geschiedenis van de Kunstacademies

Vanaf 17e eeuw - Vanaf Lodewijk de XVI worden de opleidingen voor  verschillende kunsten gegeven aan de academies. Hier waren strenge regels en ‘wetten’. Men werkte vanuit het klassieke, meetbare en leerbare schoonheidsideaal. Wat mooi was was aan regels gebonden, en kon dus ook worden aangeleerd en getoetst. Schoonheid is terug te voeren tot de kennis over juiste proporties. In de Renaissance hadden de kunstenaars deze regels leren kennen door de bestudering van klassieke restanten.

De academies, Academie Royale des Beaux Arts, stonden garant voor “degelijk” kunstonderwijs. De student leerde zijn vak te beheersen door

  • leer van de proporties
  • perspectief
  • verdere studie aan de hand van klassieke afgietsels
  • vervolgens bestudering van het menselijk lichaam ( waardoor het naaktmodel toegestaan was)
  • Daarna in praktijk bij een ervaren schilder kleur en verf leren beheersen.


Eind 18e en 19e eeuw – Fransen zijn door de opgravingen van Herculaneum en Pompeï opnieuw  in de ban van klassieke Romeinse oudheid. Beeldende kunst en architectuur, en ook de opleidingen, worden hier sterk door beïnvloed. De overheid is een belangrijke opdrachtgever, en laat schilderijen maken met  heroïsche en mythologische thema’s, hun personages staan in klassieke poses en dragen klassieke gewaden. Verder laat de overheid gebouwen neerzetten in classicistische stijl, met nadruk op horizontale lijnen, symmetrische opbouw, en klassieke elementen als timpanen en zuilengalerijen.

De academies leren de klassieke waarden van de schoonheid aan, en waken op die manier over de kwaliteit van de beeldende kunst, die zich kenmerkt door geposeerde voorstellingen en gladde afwerking.

Als studenten eenmaal toegelaten waren tot de Ecole des Beaux Arts dan werden zij aan banden gelegd in een star systematisch programma dat bedoeld was om hen stap voor stap te bevorderen tot het ultieme doel: de Prix de Rome. Met deze beurs mochten de beste studenten 4 of 5 jaar naar Rome om de grote meesters te bestuderen. Voorbereiding op deze competities werd het hoofddoel van het lesgeven. Het academisch onderwijs werd zo een cirkelgang: academische professoren leerden studenten om die technische kwaliteiten, die stijl te ontwikkelen die hun de stemmen van academische jury’s in academische wedstrijden zouden opleveren en die in hun latere carrière de goedkeuring van academische Salonjury's zou verwerven. Zo'n gesloten systeem moest wel elke individualiteit in de kiem smoren. (...)

   

De academie, met een grote hoeveelheid klassieke voorbeelden om na te tekenen. Rechts een gravure van Maillart Diomède-André - Male nude, getekend op de ecole des beaux arts naar de aanschouwing.


DE AVANT GARDE

Tot 1861 was de École des Beaux-Arts de enige kunstopleiding. Uit protest tegen het uitsluitend schilderen op de traditionele manier, openden studenten een eigen atelier. Zij vroegen de door zijn afwijkende houding bekend staande schilder Gustave Courbet (1819-1877) om les te komen geven, maar deze weigerde in eerste instantie. Pas in de winter 1861-1862 opende hij voor enkele maanden zijn atelier voor leerlingen. Zijn voorbeeld werd gevolgd door Horace Lecoq de Boisbaudran (1802-1897), die in 1863 een onafhankelijk atelier opzette.

Tegenstanders van het strakke academische onderwijs vonden dat er  op de academies  te veel waarde werd gehecht aan de conservatieve academische manier van werken, waardoor nieuwe ontwikkelingen soms zorgvuldig uit de buurt werden gehouden. Kunstonderwijs werd als klemmend ervaren, men zou de vooruitgang (die kenmerkend is voor deze tijd) niet willen volgen.

Gevolg -> opkomst van een Avant Garde, die zich presenteren buiten de academische salons. De bekendste daarvan

  • Courbet, met zijn Pavillion du Realisme, een eigen afdeling binnen de salon
  • Een groep op de salon geweigerde kunstenaars met hun Salon des Refusees
  • De impressionisten met hun eigen groepstentoonstellingen
  • Een Italiaanse groep ; de Machiaioli
  • De Haagse School, spottend de modderschilders genoemd
  • 1876 België -> Societe libre des Beaux Arts, voor wie weigerde in de Brusselse Salon te exposeren
  • 1884 Parijs -> Salon des Independants

Zo werd het aloude schoonheidsideaal van het academisme vervangen door een nieuw ideaal, dat stond voor vernieuwing, vooruitgang en originaliteit. De kunstenaar kon zich van de regels van het classisisme bevrijden omdat hij niet langer afhankelijk was van de overheid als opdrachtgever. De rijke, liberale burgerij werd de nieuwe elite, en wilde zich vermaken met kunst, concerten, opera’s en balletvoorstellingen.

Omdat de kunstenaar niet meer hoefde te voldoen aan de wensen van de opdrachtgever kon hij zijn eigen weg gaan, en maakte kunst die hij zelf mooi of interessant vond.

Halverwege de 19e eeuw ontstaat vanuit deze hang naar individuele vrijheid de l’art pour l’art gedachte, waarmee de kunstenaar zichzelf onafhankelijk verklaarde.

Kunst was voortaan waardevol als kunst en had daarnaast geen functie meer. Kunstenaars verwierven daarmee de vrijheid om te kiezen in welke stijl, techniek en voor welke doelgroep ze gingen werken. Het kunstenaarschap werd iets exclusiefs.

 

DE SALON EN DE ACADEMIE – tegenstellingen en overeenkomsten

Napoleon III, zo gaat het verhaal, beende de hallen van het Palais d'lndustrie in Parijs door, regelrecht op een grote stapel schilderijen af. Het was 1863, en de jury van de jaarlijkse Salon, de meest prestigieuze tentoonstelling van het land, ja, zelfs de grootste tentoonstelling van Europa en Amerika samen, had maar liefst vierduizend werken geweigerd.

Honderden kunstenaars morden, de pers schreef erover. Dus kwam de keizer zelf poolshoogte nemen. Hij liet zijn oog dwalen langs de stapels met afgewezen schilderijen, en zei achteloos, zoals alleen een keizer dat kan: 'Ik zie geen verschil.' Er moest, beval hij, een tentoonstelling voor de afgewezenen komen, een 'Salon des Refusés', opdat het volk zelf kon beslissen wat goede kunst is.

Het is inmiddels een legende geworden. De Salon des Refusés is decennialang beschreven als het begin van de heroïsche overwinning van de 'vernieuwende kunst' op de starre, conservatieve Academie van Schone Kunsten, die de Salon in handen had. Het was de eerste plek waar jonge schilders als Monet, Renoir en Gaugain konden zien hoe je óók kon schilderen. Dit besef zou er in 1874 zelfs toe leiden dat zij de eerste van de legendarische Impressionisten tentoonstellingen organiseerden. Het hoogtepunt van de strijd tegen de Salon volgde tien jaar later, toen de neo-impressionisten Odilon Redon, Signac en Seurat de 'Salon des Indépendants' oprichtten. Begin 20ste eeuw was de zege van de moderne kunst een feit.

De landschapskunst speelde een belangrijke rol in de artistieke vernieuwingen. Midden 19e eeuw trokken kunstenaars naar buiten, met hun spulletjes het bos in, ook doordat ze nu konden beschikken over verf in de net uitgevonden tube. Zij braken met de Franse traditie van het geïdealiseerde landschap, wilden de natuur laten zien zoals ze was. 'Realisme', noemde Gustave Courbet het. Dat betekende, heel onacademisch: gewone mensen en onderwerpen, vieze kleren, ver van Parijs en kleurexperimenten.

De realiteit van de oorsprong van de moderne kunst is complexer. Nog steeds wordt vaak vergeten dat Courbet regelmatig werd geëerd in de Salon. Dat Manet niets liever wilde dan een medaille van de Academie, en die uiteindelijk ook kreeg. En de Impressionisten hadden dan wel de regel 'niets naar de Salon' te sturen, maar Monet deed dat gewoon wel, net als Renoir en Degas. Ze werden soms afgewezen, soms ook aangenomen.

Het probleem lag dus dieper. De Salon was, om een modieus begrip te gebruiken, in crisis. Ooit was hij dé plek waar de glorie van Frankrijk samenkwam, waar de adel haar smaak bevestigd zag, waar de grote, voorname thema's van de Franse Grande Tradition te zien waren, zoals mythologie en historieschilderkunst. En dat alles in een perfect afgewerkte, classicistische schilderstijl.

Op het moment dat Napoleon III de Salon des Refusés -in het leven riep, was de Salon echter allang niet meer het bolwerk van alleen Academici. De Salon was het uitje van het jaar geworden, naast de paardenrennen, de markt, en de grote nieuwe warenhuizen. En de gulden middelmaat leek steeds meer het vereiste te worden: dat betekende vooral heel veel genre-schilderijen, scènes uit het dagelijks leven.

De nieuwe Salon liet zien wie de nieuwe macht in Frankrijk had: de bourgeoisie.


De gevolgen voor de kunst waren flink.  In de tweede helft van de 19e eeuw kwam een commerciële kunstmarkt op. Nieuwe verzamelaars, zoals bankiers en zakenlieden, gingen kunst verzamelen. Deze bourgeoisie hield niet van de klassieke thema's. Zij hield van het kleine, het gewone en stimuleerde dus de landschapskunst en het realisme.

Voor het eerst in tweehonderd jaar kon kunst buiten de Salon om populair worden. De Impressionisten waren allerminst de enigen die in dit klimaat onafhankelijke tentoonstellingen organiseerden.  Dankzij de liberale kunstmarkt konden steeds meer kleine verenigingen worden opgericht. Dat waren niet alleen vernieuwers, maar ook de Vereniging van Aquarellisten, de genreschilders, Academici en de Vrouwenunie.

De felste aanval op de Salon kwam dan ook niet van de 'vernieuwers'. De strijd werd door de conservatieven geleverd. Academici als Cabanel, Bouguereau en Messonier verlangden terug naar de oude orde, naar de Grote Traditie. Zo werd in de Salon van 1865 "De geboorte van Venus" van  Cabanel tegenover Manets "Olympia" gehangen. Cabanel, een met prijzen en decoraties overladen held van de Academie, werd opgevoerd als voorbeeld hoe het wél moest. Hij probeerde Ingres te overtreffen, en overdreef alles. De huid van zijn Venus oogt glad als van porselein. Ze ligt uitgestrekt op kabbelend zeewater, boven haar zwermen mollige engeltjes. Olympia zou hierbij moeten afsteken als een knullig plat vlak, zonder grandeur.

Om Cabanel wordt nu vooral schamper gelachen, maar als er al sprake was van een gemeenschappelijk ideaal, was dat eerder bij academici dan bij de onafhankelijken.

De nieuwe economische realiteit had Cabanel, Bouguereau en Meissonier echter ingehaald. De staat trok zich in 1880 terug van de Salon en gaf haar in handen van de Franse kunstenaarsvereniging. En die volgde de smaak van het publiek, dat niet zat te wachten op grandeur. Toen Emile Zola in 1896 de Salon binnenkwam, zag hij overal impressionisme, overal die vrolijke kleuren, diezelfde toets. Hij had zich Voor deze kunst ingezet, maar een dergelijke triomf van 'het gewone' was niet de bedoeling.


Van : http://nl.wikipedia.org/wiki/Academische_kunst#Geschiedenis_van_de_Europese_academies

Geschiedenis van de Europese academies

De eerste kunstacademies werden opgericht in het Italië van de zestiende eeuw. In Florence werd in 1562 de Accademia dell'Arte del Disegno opgericht door Giorgio Vasari. De studenten leerden de arti del disegno, de kunsten van het ontwerpen, een term die Vasari zelf had bedacht. Ze kregen les in onder meer anatomie en geometrie. De Accademia di San Luca werd in 1593 opgericht in Rome. Deze academie diende later als voorbeeld bij de oprichting van de Académie royale de peinture et de sculpture in 1648 op initiatief van koning Lodewijk XIV. Uit deze academie kwam later in 1816 de Académie des Beaux-Arts voort. Een van de principes was dat de kunstenaar zich onderscheidt van de ambachtsman door beoefening van het vrije kunstenaarschap. De kunstenaar mocht zijn eigen fantasie en voorstellingsvermogen gebruiken bij het kiezen van het motief en het thema, maar hij moest zich wel aan de regels houden wat betreft de concrete en realistische voorstelling zoals die door de Academie werd voorgeschreven. Na een reorganisatie van de Académie royale de peinture et de sculpture in 1661 door Lodewijk XIV met het doel het artistieke leven naar zijn hand te zetten, ontstond een controverse tussen twee verschillende stromingen die de rest van de eeuw zou voortduren. De discussie ging over de vraag of men Peter Paul Rubens ofwel Nicolas Poussin als voorbeeld moest nemen. De volgelingen van Poussin, de “poussinisten”, vonden dat de lijn (disegno) moest domineren. De Rubensfans, de “rubenisten”, vonden dat kleur belangrijker was omdat het de emotie bepaalt. De discussie dook in de 19e eeuw wederom op, tijdens het neoclassicisme met Jean Auguste Dominique Ingres als belangrijke vertegenwoordiger, en met de stroming van het romanticisme waarvan Eugène Delacroix deel uitmaakte. Er werd ook gedebatteerd over de vraag of de kunstenaar de natuur moest bestuderen of beter de klassieke meesters tot voorbeeld kon nemen. 

Academische opleiding

In de 19e eeuw moesten jonge artiesten jarenlang een strenge opleiding volgen. Alleen studenten met een referentie van een professor in de beeldende kunst werden toegelaten tot de École des Beaux-Arts. Het voornaamste deel van de opleiding bestond uit tekenen. Het schilderen kwam pas aan het eind van de opleiding. De studenten kopieerden de klassieke beeldhouwwerken en moesten de basisprincipes van contour, licht en schaduw onder de knie krijgen. Door het natekenen leerden de studenten hoe het originele kunstwerk tot stand zou zijn gekomen. Als ze slaagden voor dit onderdeel mochten ze de gipsen kopieën van klassieke beelden natekenen, daarna mochten ze met levende modellen oefenen. Schilderen werd pas een onderdeel van de opleiding na 1863. Aan het eind van de opleiding trad de student toe tot een studio van een academicus en kon hij leren hoe hij moest schilderen. De studenten konden meedingen naar de Prix de Rome. De winnaar kreeg een beurs om te studeren aan de Villa Medici in Rome. Een succesvolle tentoonstelling in de Salon betekende dat de kunstenaar door de gevestigde orde in de kunstwereld werd erkend. Het hoogst bereikbare doel was het lidmaatschap van de Académie Française en erkend te worden als een academicus.


http://www.art7d.be/moderneschilderkunst/voor1840.html    met heel veel informatie over de schilderstijlen en schilders in de 19e eeuw

muziek -  opdrachtgevers en opleidingen 

FRANKRIJK

De eerste academies voor kunst werden opgericht door Lodewijk de XIV. Hij stichtte academies voor beeldende kunst en voor muziek, en bepaalde de ‘regels’ voor de kunsten daarmee.

Parijs

http://nl.wikipedia.org/wiki/Conservatoire_national_sup%C3%A9rieur_de_musique                                              Koning Lodewijk XIV van Frankrijk creëerde de Koninklijke academie voor muziek (Académie royale de musique) met het Koninklijk Besluit op 28 juni 1669. Vanzelfsprekend was de academie financieel afhankelijk van het Koninklijke huis. In 1783 kwam er ook nog een tweede instelling bij, de École royale de chant et de déclamation. Tot ver in de 19e eeuw waren de Franse academies toonaangevend voor het onderwijs in de kunsten.

De Parijse opera is het eerste operagezelschap van Europa. Het werd in 1669 opgericht door Lodewijk XIV als Académie d'Opéra, en werd al snel geleid door Jean-Baptiste Lully. Het fungeerde als operagezelschap en opleiding voor muzikanten en dansers voor de opera. Gedurende de 19e eeuw veranderde de naam regelmatig.

1803

Théâtre des Arts



1804

Académie Impériale de Musique



1814

Académie Royale de Musique



1815

Académie Impériale de Musique



1815

Académie Royale de Musique



1830

Théâtre de l'Opéra



1830

Académie Royale de Musique



1848

Théâtre de la Nation



1848

Opéra-Théâtre de la Nation



1850

Académie Nationale de Musique



1852

Académie Impériale de Musique



1854

Théâtre Impérial de l'Opéra



1870

Théâtre de l'Opéra



1870

Théâtre National de l'Opéra




    

De voormalige concertzaal van het conservatorium van Parijs (als zodanig in gebruik tot 1911), nu theater van het conservatorium.


DUITSLAND

Leipzig

http://nl.wikipedia.org/wiki/Felix_Mendelssohnschool_voor_muziek_en_theater

Leipzig was een belangrijke muziekstad in Saksen. Het traditierijke Thomanerkoor, het in 1781 opgerichte Gewandhausorchester, bekende muziekuitgaven en componisten beïnvloedden het muziekculturele klimaat van de stad. Tegen deze achtergrond bleek de oprichting van een onderwijsinstituut voor muzikanten noodzakelijk. De realisatie kwam tot stand toen in 1839 de Oberhofgerichtsrat Heinrich Blümner en koning August III van Polen, die tegelijkertijd keurvorst Frederik August II van Saksen was, een bedrag van 20.000 Taler doneerden voor een instituut voor kunst en wetenschap. Op initiatief van de Gewandhauskapelmeester Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847) werd het Leipziger Conservatorium der Musik als eerste instelling voor hoger muziekonderwijs in de huidige Bondsrepubliek Duitsland geopend.

Mendelssohn Bartholdy kon gerenommeerde leraren aan het instituut verbinden, onder andere de Thomaskantor Moritz Hauptmann (1792-1868), de organist Carl Ferdinand Becker (1804-1977), de concertmeester van het Gewandhausorkest Ferdinand David (1810-1873), de pianist Ignaz Moscheles (1794-1870) en voor korte tijd ook de componist Robert Schumann (1810-1856).

Keulen

http://nl.wikipedia.org/wiki/Hochschule_f%C3%BCr_Musik

In 1850 werd de hogeschool als Conservatorium der Musik in Coeln gesticht. In 1925 werd zij - na Berlijn en Leipzig - erkend als Staatshogeschool voor Muziek. In 1972 vond er een fusie plaats met de voormalig zelfstandige conservatoria in Aken en Wuppertal tot de Staatshogeschool voor Muziek Rheinland, of kortweg Rheinische Musikhochschule. In 1987 werd de naam veranderd in Hochschule für Musik.

Munchen

http://website.musikhochschule-muenchen.de/de/index.php

Die Hochschule für Musik und Theater München hoort bij de oudste en meest traditierijke opleidingsinstituten voor muziek en theaterberoepen in Duitsland.

 

NEDERLAND

Den Haag http://nl.wikipedia.org/wiki/Koninklijk_Conservatorium_(Den_Haag).
Dit conservatorium is opgericht door koning Willem I in 1826, het is het oudste conservatorium van Nederland.

Utrecht    http://nl.wikipedia.org/wiki/Utrechts_Conservatorium  
Het Utrechts Conservatorium is in 1875 opgericht als Toonkunst-Muziekschool en is een van de oudste muziekopleidingen in Nederland.

Maastricht, daar bevindt zich sinds 1882 een conservatorium.


RUSLAND   
http://nl.wikipedia.org/wiki/Conservatorium_van_Sint-Petersburg  
Het conservatorium van Sint Petersburg werd  in 1862 werd als oudste Russische openbare conservatorium opgericht.

Een groep van vooruitstrevende componisten uit de 19e eeuw, waaronder Anton Rubinstein, Henryk Wieniawski, Karl Schubert en Gavril Lomakin, nam het initiatief om in de hoofdstad van het tsarenrijk een school voor het hogere muziekonderwijs op te richten. Al decennia werkten generaties van Russische zangers, pianisten, dirigenten, strijkers en blazers, samen met buitenlandse collega's in keizerlijke en privé-opera's, balletgezelschappen, koren, orkesten en ensembles. De buitenlanders kwamen vooral uit Italië, Bohemen en Duitsland en vestigden zich meestal blijvend in Rusland. Vanzelfsprekend was het in Sint-Petersburg dat een groep van componisten onder wie Dmitri Bortnjansky, Aleksandr Dargomyzjski, Michail Glinka een eigen Russische Stijl vormde. In het midden van de 19e eeuw werd een nieuw keizerlijk muziekgezelschap opgericht, in een sfeer van sociale, culturele en politieke hervorming. Het bevorderde nieuwe muzikale projecten, vooral de oprichting van een conservatorium.

De eerste directeur na de oprichting in 1862 was de pianist, componist en dirigent Anton Rubinstein. Tot de professoren behoorden Henryk Wieniawski (viool), Theodor Leszetycki (piano), Anton Rubinstein (piano), Nikolaj Zaremba (compositie), Karl Schubert (cello), Gavril Lomakin (koorgezang en koorleiding).

In 1865 studeerde hier Pjotr Iljitsj Tsjaikovski af. Tussen 1870 en 1890 was Nikolaj Rimski-Korsakov een van de professoren van dit conservatorium. Hij leidde een nieuwe Russische school op. Zijn leerlingen Anatoli Ljadov en Aleksandr Glazoenov bepaalden later de esthetische idealen van deze nieuwe Russische school.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Conservatorium_van_Moskou

Conservatorium van Moskou

Het conservatorium werd opgericht door Prins Nikolai Petrovitch Troubetzkoy en Nikolaj Rubinstein, de broer van de beroemde componist en pianist Anton Rubinstein, die zelf in 1862 het Konservatorija im. N.V.Rimskogo-Korsakova, in Sint-Petersburg had opgericht. Vanaf de opening in 1866 tot 1878 gaf Tsjaikovski er les in theorie en muziekleer. Sinds 1940 draagt het conservatorium zijn naam. Nagenoeg de gehele elite van de Russische musici met uitzondering van degenen die in Sint-Petersburg studeerden, hebben hier hun opleiding genoten.

Ballet - opdrachtgevers en opleidingen

Informatie van de volgende websites:


Begin – Frankrijk, vanaf 1670 tot 1e helft 19e eeuw

Het was Lodewijk de XIV die het ballet liet verhuizen naar het toneel en die in 1669 de eerste Dansacademie oprichtte. Binnen de academie werden alle passen die werden bedacht in een systeem ondergebracht en aan het nageslacht doorgegeven. Op de Franse academie de Ballet werd de klassieke dans aangeleerd.

In het begin van de 18e eeuw werd het dansen minder statig en traden virtuoze dansers op de voorgrond. De dansers waren in staat zich vrijer te bewegen en snelle ingewikkelde passen uit te voeren. Enkele jaren voordat de invloed van de romantiek op het ballet begon werd er al op spitzen gedanst.

Het ballet onderging in de 19e eeuw grote veranderingen., zowel qua techniek als inhoudelijk en esthetisch. De precies voorgeschreven hofdans, als 'social event' voor de adel aan het hof, hield op te bestaan. In plaats daarvan kwam het ballet als voorstelling ('show') in theaters, met als publiek de nieuwe welgestelde burgerklasse. En dit nieuwe publiek – deze nieuwe opdrachtgever -  wilde graag een avondje vermaak. Zodoende werden de balletten verhalender (vooral sprookjesachtig, ontsnappen uit het grauwe dagelijkse leven, zoals de muziek ook) en spectaculairder (zoals ook de virtuoze showmuziek). Hogarth’s concept van the line of beauty - een vrij door de ruimte slingerende ‘natuurlijke’ lijn - leidde onder meer tot vloeiende armvoeringen. Dat gaf aan het romantische ballet haar emotionele zeggingskracht.  In 1832 kreeg het dansen op spitzen een nieuwe betekenis. Door op spitzen te dansen kon de danseres op een ideale manier de indruk van gewichtloosheid benadrukken. Een ballerina kon er mee uitdrukken hoe een dwaallichtje of geest op het punt stond weg te vliegen.

Vanaf de première van La Sylphide in 1832 gaf de dans uitdrukking aan de Romantische tijdgeest in 19e eeuw. De Romantiek werd ingeluid door schrijvers en dichters van de Sturm-und-Drang beweging en strekte zich vervolgens uit over alle disciplines; muziek, schilderkunst, architectuur. De theaterdans bleek uitermate geschikt om de ideeën en idealen van de Romantiek te belichamen, in het bijzonder door middel van de ballerina of ‘premier danseuse’ zoals de belangrijkste danseres heette. Het romantische ballet kwam tot grote bloei in Frankrijk in de periode 1820 - 1870. Van daar uit verspreidde het romantische ballet zich over Europa.

 

 

BARRE, Jean-August

Taglioni in La Sylphide
1837
Bronze, height 45 cm

Het vervolg – Rusland - 2e helft 19e eeuw   

In Rusland was het ballet in de 17de eeuw geïntroduceerd. In de 18de eeuw ging een professionele dansschool van start onder leiding van de Franse balletmeester Lande. De Keizerlijke Theaters in Moskou en Sint-Petersburg kwamen onder gezag van de tsaar. Keizerin Catharina II de Grote was net als Peter de Grote westers georiënteerd en beïnvloed door Verlichtingsideeën. Het uitgestrekte maar onderontwikkelde boeren Rusland zou een moderne welvarende staat worden: met handel, industrie en cultuur. Ballet was een manier om discipline te brengen. Vandaar dat jonge militairen en arme weeskinderen balletles kregen. Uit Milaan en Wenen werden choreografen aan het hof uitgenodigd om balletten te maken. Begin 19e eeuw  imiteerde de tsarendynastie Romanov de Franse hofstijl en spiegelde zich aan de grandeur van Versailles van Lodewijk XIV. De Franse ballettraditie werd een onderdeel van het Russische hofleven. 

Gedurende de 2e helft van de 19e eeuw nam de invloed van het Franse ballet af en trad de Russische school uit het Marijinsky Theater in St. Petersburg op de voorgrond. Rond 1850 waren Jules Perrot en Arthur Sain-Leon in Moskou  te gast, gevolgd door Marius Petipa. Deze was van 1862 tot 1903 in dienst van de keizerlijke theaters in Sint-Petersburg en Moskou. Pepita was leraar aan de dansacademie van St. Petersburg en genoot bescherming van de Russische tsaar. Hij maakte van de danskunst echte topsport. Hij drukte met de Rus Lev Ivanov een belangrijk stempel op het ballet. Onder zijn naam werd de Romantische stijl vernieuwd en kreeg het stempel klassiek, door het technische niveau te verhogen en het ballet te ontdoen van melodramatiek. Dit was het eindpunt van een ballettraditie die zijn wortels had in Italië en Frankrijk. Lev Ivanov (1834-1901) was aanvankelijk zijn assistent, maar toen Petipa oud en ziek werd, nam hij diens taak over. Zo is de choreografie van Notenkraker van hem, alsmede de ballets blanc akten uit Het zwanenmeer. Daarbij was Petipa’s nauwe samenwerking met componist Tsjaikovski doorslaggevend voor het succes van de grote sprookjesballetten Doornroosje, Notenkraker en Het zwanenmeer. In Tsjaikovski's tijd was ongewoon dat een belangrijke componist als hij balletmuziek schreef, een inferieur genre. Tsjaikovski vond daarentegen dat balletmuziek hem mogelijkheden gaf. Hij verrijkte balletmuziek met symfonische elementen en zag de partituur als deel van de dramatische actie. Zijn muziek schetste de karakters van de personages en creëerde de sfeer van de diverse scènes. De partituur van Het zwanenmeer was aanvankelijk niet erg succesvol. Pas bij de tweede choreografie van Petipa en Ivanov werd de muziek een hit. Het ballet haalde alles eruit wat erin zat. Zonder Tsjaikovski's muziek was het ballet geen meesterwerk geworden.

 De term klassiek ballet is van betrekking op de laatste reeks van balletten die Petipa en Ivanov maakten, in het bijzonder Doornroosje en Het zwanenmeer. Deze balletten geven van alles het beste te zien. Zo zijn het sprookjesballetten die in alle opzichten de romantische ingrediënten bevatten. Ze zijn  zeer groots van opzet en lengte, kosten noch moeite werden immers gespaard, en dat vertoon weerspiegelde de status en macht van de uiteindelijke opdrachtgever; de tsaren


.http://www.youtube.com/watch?v=2LVEbvxwcZA&feature=fvst

Neergang: animeermeisjes

Na 1870 raakte het ballet in Frankrijk en elders in Europa in verval. Door de dominantie van ballerina’s was de man bijna van het toneel verdwenen, waardoor de reputatie van de dans kelderde. Bij Coppélia werd de rol van Franz door een vrouw (en travestie) gedanst. Ballet werd gereduceerd tot acrobatische toeren en functioneerde vooral als onderdeel van opera, operette en vaudeville. Van artistieke zeggingskracht was geen sprake meer. Bestaande balletten werden eindeloos herhaald. Decors waren onorigineel en goedkoop gemaakt, componisten schreven gemakzuchtige gebruiksmuziek. In de zaal en loges van de Opéra van Parijs zaten welgestelde heren met aandacht voor de kuiten en de boezems van de danseressen. Na de voorstelling bezochten zij de danseressen in de Foyer de la Danse. Soms financierden ze hun favoriete danseres, die in ruil hun minnaressen waren. Op het podium knipoogden de dames naar hun weldoeners, buiten het theater verleenden ze seksuele diensten.

Met de daling van het artistieke niveau daalde de status van het vak tot een bedenkelijk niveau. In de 17e eeuw had de koning nog zelf gedanst, rond 1880 was de danseres niet meer dan een animeermeisje.

 

Gustave Dore, de hoge heren hebben meer aandacht voor de schoonheid van de ballerina’s dan voor de schoonheid van de dans.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Edgar_Degas

Degas schilderde vanaf 1870 graag balletmeisjes, hij had ze als model in zijn eigen atelier, maar ging ook schetsen tijdens repetities en uitvoeringen.

 


kenmerken van het ballet in de tijd van de Romantiek:

• Nadruk op het gevoel in plaats van verstand.

• Nadruk op verbeelding en fantasie.

• Escapisme door de verhalen te situeren in verre exotische landen

• Escapisme door verhalen te situeren in een ver verleden.

• Nadruk op sterke tegenstellingen.

  • materiële <-> geestelijke
  • goed <->kwaad
  • licht <->donker
  • het aards bestaan <->.mysterieuze
  • rationele keuze <-> emotioneel en impulsief gedrag

• Het noodlot slaat vaak toe, de liefde wordt nagejaagd tot aan de dood of tot in suïcide.

• De ballerina belichaamt het beeld van een spiritueel wezen dat het aardse ontstegen is.

• De ballerina symboliseerde eveneens het westerse idee van vooruitgang



Vernieuwingen in het romantische en romantisch klassieke ballet.  

• suggestie (bijna) geheel lost te komen van de aarde 

  • élévation - De dansers maakten grote zweefsprongen (grand jeté’s)
  • liften
  • pointes-techniek op spitzen dansen
  • pirouettes

• Invoering van de vloeiende port de bras (armvoering) waardoor de dans een meeslepend ofwel emotioneel expressief karakter krijgt.

• Uitbreiding van het passenmateriaal

• Vergroten van het en dehors principe, het uitdraaien vanuit heupen en voeten.

• De choreografie is niet langer gebonden aan een geometrisch parcours, maar beweegt vrij door de ruimte. Wel ligt het accent op de centrale (midden) positie. Tijdens de romantisch klassieke periode wordt een symmetrische opstelling de norm. Het corps de ballet wordt meestal ingezet bij folkloredansen (mazurka) en ballets blancs. De patronen die geweven worden bestaan uit (halve)cirkels, kruisende diagonalen, rechte rijen. De bewegingen zijn synchroon, de lengte van de danseressen is uniform.

De ontwerper Eugène Lamy ontwierp de tutu romantique, een over de knie vallende lange en soepele jurk van mousseline, later van verscheidene laagjes tule. In de tijd van Petipa zijn de tule rokjes onder het lijfje kort en staan stijf uit, de tutu classique.

• Scherpe hiërarchische scheiding tussen de hele en halve solisten (hoofdrollen) en het ensemble.

• De prima ballerina bezit lyrische capaciteiten (expressief) of virtuoze kwaliteiten

• Het opvoeren van virtuositeit is ook typisch voor de 19de eeuwse kunstenaar. Vooral de man kon in solovariaties excelleren.

• Nationalisme maakte dat niet meer de verhalen uit de klassieke mythologie werden gebruikt, maar de eigen volksverhalen en sprookjes

• Ontstaan van danse caractère ofwel gestileerde folkloredans.

• De tweedeling in akten

• De akten werden verdubbeld en het aantal dansers ook.


Marius, Marie en Lucien Petipa (1812-1910)

Halverwege de 19de eeuw arriveert via Brussel en Den Haag de uit Marseille afkomstige dansersfamilie Petipa in Rusland: Marius Petipa, zijn dochter Marie Petipa en zijn broer Lucien Petipa. Marius, die in Frankrijk onder meer door de beroemde Auguste Vestris was opgeleid, maakte snel carrière.' Hij was in 1847 solist van de Keizerlijke Theaters en werd reeds in 1855 benoemd tot Inspecteur van de Keizerlijke Balletschool. Het was bij de Keizerlijke Balletschool dat onder zijn invloed de basis gelegd werd voor een uniforme en uitgebalanceerde stijl en techniek. In 1869 volgde dan tenslotte zijn benoeming als hoofdchoreograaf. Deze hoge positie zou hij tot 1903 behouden.

Petipa maakte enkele honderden balletten, divertissementen en gelegenheidsstukken. Het betrof zowel nieuwe versies van reeds bestaande werken als volledig nieuwe balletten. Zijn werk munt uit door helderheid van lijn, zuiverheid van techniek en groot gevoel voor ruimtelijke effecten. Zijn onderwerpen putte hij zowel uit (Russische) sprookjes als uit verhalen en legenden die zich in exotische landen afspelen (India, Egypte, Spanje).

Werken, die onder zijn leiding tot stand kwamen:The Sleeping Beauty, Don Quixote, La Bayadere, Zoraya, Cinderella, Swan Lake, Raymonda, Harliquinade .

Hoewel de Keizerlijke Balletschool al in de 19de eeuw grote faam oogstte, bleven Russische solisten een ongewoon verschijnsel. De adel kon zich maar moeilijk voorstellen dat de 'domme en ongeletterde' gewone Russen tot hoge artistieke prestaties in staat zouden zijn. Verschillende buitenlandse balletmeesters die de grote mogelijkheden van de Russische dansers wel degelijk inzagen, kwamen regelmatig in botsing met deze bekrompen en conservatieve houding. Echte grote Russische solisten verschenen daarom pas aan het eind van de 19de eeuw.


Het naakt in de Beeldende kunst en in de opleidingen :

Het naakt neemt in de kunst van de 19e eeuw een vanzelfsprekende plaats in. Gemodelleerd naar het klassieke schoonheidsideaal en omgeven door het decorum van mythologie, historiestuk of allegorie vormde dat geen enkel probleem.Ook binnen de academie werden naaktmodellen vaak gebruikt.

Pas als de realisten, onder leiding van Gustave Courbet, het naakt ontdoen van het verhaal en van de ideale proporties, ontstaan de schandalen.

In zijn werkwijze wijkt Gustave Courbet sterk af van de regels van de academie: hij verzamelt naaktfoto's en laat modellen poseren voor fotografen. In zijn doeken figureren naakte vrouwen in een omgeving die nadrukkelijk van zijn eigen tijd is, waardoor de dames niet als naakt maar als bloot worden gezien. Bovendien zijn houding en omgeving absoluut niet volgens de academische normen, zoals je op onderstaande afbeeldingen ziet. De schilderijen veroorzaakten dan ook grote opschudding onder het publiek.

http://www.digischool.nl/ckv2/romantiek/romantiek/salon/salonmodernisme.htm met film over het schandaal rondom le Dejeuner sur l’herbe van Manet


Manet – Dejeuner sur  l’herbe - 1863



Courbet-  l’origine du monde - 1866

L’Origine du Monde (Frans, letterlijk "de oorsprong van de wereld") is een realistisch schilderij dat Courbet in 1866 maakte. Het is zijn meest provocerende naaktschilderij.

Het schilderij toont een liggende vrouw  met gespreide dijen. Het doek werd besteld door de Turkse diplomaat Khalil-Bey, die in Parijs woonde. Hij voegde dit werk toe aan zijn persoonlijke verzameling erotische schilderijen (met onder meer Het Turkse bad van Ingres en De slaap, een ander werk van Courbet).

De vrouwelijke naakten van Courbet waren zo waarheidsgetrouw geschilderd en zo opzienbarend erotisch dat er veel aanstoot aan genomen werd. Samen met Manet verwierp Courbet de academische regels van de schilderkunst. Beiden toonden haarscherp aan dat de geïdealiseerde naakten in het werk van tijdgenoten slechts getolereerd werden in mythologische of allegorische context. Met hun realistische naakten zetten ze zich af tegen de hypocriete welvoeglijkheid van de kunstminnende burgerij.

Met het werk l'Origine du Monde ging Courbet nog een stap verder dan l'Olympia van Manet door het meest intieme te tonen. Bij de rebellie tegen de figuratieve kunst wordt het menselijk naakt ontleed en geabstraheerd.

Manet – Olympia - 1863


Wat de tijdgenoten van Manet vooral schokte was niet zozeer Olympia's naaktheid, en ook niet de aanwezigheid van een volledige aangeklede dienstmeid, maar haar confronterende blik en een aantal details die verraden dat ze een prostituee is. De orchidee in haar haar, haar armband, de paarlen oorringen en de oosterse sjaal waarop ze ligt wijzen op weelde en sensualiteit. De zwarte lint rond haar nek, in sterk contrast met haar bleke huid, en haar afgeworpen pantoffels beklemtonen de seksueel geladen sfeer. Terwijl Titiaans Venus haar geslacht delicaat bedekt, is de hand van Olympia stevig tegen de hare aangedrukt. Manet verving het hondje (symbool van trouw) in Titiaans schilderij door een zwarte kat, symbool van prostitutie. Olympia negeert hooghartig de bloemen die worden aangeboden door de dienstmeid, waarschijnlijk een cadeau van een klant. Sommige critici hebben gesuggereerd dat ze in de richting van de deur kijkt, waar juist een klant zonder aankondiging binnenstapt. Op die manier wordt de kijker in de rol van klant geduwd.

Het schilderij wijkt zowel in onderwerp als in schilderstijl af van de academische conventies uit die tijd. De stijl wordt gekenmerkt door brede, haastige penseelstreken. De harde belichting elimineert de middentonen. Er zijn grote oppervlakten met gelijke kleur, en er is weinig diepte. In vergelijking met de geïdealiseerde naakten van zijn tijdgenoten wordt de naaktheid van de vrouw veel brutaler en rauwer afgebeeld.

Naakten die geen opschudding gaven omdat ze beantwoorden aan de academische normen:


Cabanel – 1863 – De geboorte van Venus


Bouguereau – 1879 – Dante en Vergilius


Bouguereau, de geboorte van Venus, winnaar  van de Salon van 1948.


Ingres – de kleine baadster – 1826


Ingres – 1814 – Odalisk